Onderzoek aan steenuilen: een inleiding
|
| ad 1 - inventarisatie en monitoring |
DoelOm een beeld te krijgen van de omvang van een steenuilpopulatie moet geteld worden. Karteren of territoriuminventarisatie heeft tot doel om het aantal broedparen in een gebied in kaart te brengen. Zo wordt informatie over aantallen, dichtheden en verspreiding verzameld. En niet in de laatste plaats, als je weet waar ze zitten kunnen ze effectief beschermd worden. MethodiekSteenuilen laten zich - voor uilen althans - weliswaar relatief makkelijk zien en horen, maar desondanks is het inventariseren niet eenvoudig. STONE heeft een handleiding uitgebracht waarin alle aspecten van het gestandaardiseerd inventariseren beschreven worden. In grote lijnen komt de telmethodiek hierop neer. De hoofdmethode is het tellen van roepende mannetjes in het vroege voorjaar (half februari – half april) in de avond- of ochtend. Het principe berust op geluidsnabootsing: door met een CD-speler of cassetterecorder de territoriumroep van een mannetje af te spelen, wordt gepoogd de steenuilmannen met een roep te laten antwoorden. Elke roepende man vertegenwoordigt een territorium. MonitoringEen territoriuminventarisatie kan eenmalig of periodiek, bijvoorbeeld eens per vijf jaar, plaatsvinden. Dergelijke inventarisaties zijn, mits op gestandaardiseerde wijze uitgevoerd, van grote waarde om een actueel beeld van de populatieomvang te verkrijgen. Met periodiek herhaalde inventarisaties kunnen bovendien veranderingen van de populatieomvang in een gebied worden vastgesteld. Monitoring heeft tot doel om op een gestandaardiseerde wijze, statistisch betrouwbaar de aantalsontwikkeling nauwlettend te volgen. Hierdoor kan een goed inzicht worden verkregen in de trends in de populatieontwikkeling. Dat was tot voor kort immers een manco: we wisten wel (kwalitatief) dat de Steenuil in veel gebieden achteruitging, maar bij gebrek aan historische gegevens kon dat veelal niet gestaafd worden met cijfers. De aantallen territoria waren in het verleden geschat op grond van veelal onvolledig onderzoek. Die schattingen waren lang niet altijd even betrouwbaar. Werd er dan alsnog een gedegen inventarisatie verricht, bleken er soms meer Steenuilen te zitten dan gedacht op grond van die oude schattingen. Was de Steenuil dan toegenomen? Waarschijnlijk niet, maar beter tellen geeft nu eenmaal een beter beeld. Er bestond dus behoefte aan betrouwbare cijfers om de populatieontwikkeling te monitoren. SOVON is in 2003 in samenwerking met STONE een landelijke monitoring gestart die zich specifiek op de Steenuil richt: LSB-Steenuil (LSB: Landelijk Soortonderzoek Broedvogels). Daarbij hoeft een proefvlak uitsluitend op Steenuilen te worden geteld. De monitoring valt onder het Meetnet Broedvogels van het Netwerk Ecologische Monitoring waarin wordt samengewerkt met het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het monitoringsonderzoek gaat kort gezegd uit van een minimum aantal telgebieden verdeeld over de verschillende landschapstypen, en over kerngebieden en marginale gebieden. Het is de bedoeling dat de vaste telgebieden in beginsel jaarlijks worden onderzocht, maar ook telwerk met tussenpozen van een of meer jaren is waardevol. Het tellen gebeurt aan de hand van de hiervoor genoemde STONE-methodiek. Voor een uitgebreide uitleg, zie het artikel Monitoring van de steenuil uit Athene 7. Meer informatie
Lees over voortgang monitoringsproject 2 artikelen in Athene: |